Historie van Langenberggroep (deel 1)

Historie van Langenberggroep (deel 1)

Bron: Ede Stad 25 mei 1983 H.J.Nijenhuis

Er zijn in onze gemeente heel wat verenigingen, op diverse terreinen, die kunnen bogen op meer dan vijftig jaar bestaan. Daartoe behoort ook de padvindersgroep “De Langenberg”. Misschien niet zo tot de massa sprekend, maar een vereniging die toch in het leven van heel wat Edese jongens een belangrijke rol heeft gespeeld.
In 1908 stichtte de Engelse generaal sir Robert Baden Powell de scouting beweging, in het Nederlands vertaald met “padvinderij”. De opzet was jongens, zo van twaalf tot zestien jaar, door sport en spel te vormen tot nuttige mensen in de maatschappij. Het idee sloeg geweldig aan: een paar jaar later telde de organisatie al meer dan honderdduizend leden.

Een groep Engelse jongens bracht in 1910 een propagandabezoek aan Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Toen bleek ook Nederland rijp voor de padvinderij: overal in het land werden groepen opgericht, aanvankelijk – typisch Nederlands overigens – onder toezicht van twee overkoepelende organisaties. Later werden deze, door toedoen van Prins Hendrik, samengevoegd onder de naam NPV (Nederlandse Padvindersvereniging).

In Ede was men nog niet zo ver. Wel bestaan er ansichtkaarten van het vluchtelingenkamp uit de Eerste Wereldoorlog op de Eder Hei, maar vermoedelijk zijn dat Belgische jongens, ingeschakeld bij de kampbewaking.
Men zou in ons dorp tot de zomer van 1930 moeten wachten. Toen kwam, ten huize van de heer Jac. Gazenbeek (de later zo bekend geworden schrijver) een aantal jongeren en ouderen bijeeen en werd besloten tot oprichting van een padvindersgroep in Ede. Het eerste bestuur werd gevormd door de heren dr. C.A.H. de Weyer (voorzitter) Jac. Gazenbeek (secretaris) G.F. Hengevled (penningmeester) C. de Vree en J.C. Klare.
Voor de aardigheid ook een paar namen van de allereerste Edese padvinders, zonder overigens volledig te zijn: G. Droog, G. van Scherrenburg, H. de Vriendt, B. Hengeveld, H. Rippe en E. Cramwinkel.
Als leider werd aangesteld hopman Verstegen uit Renkum. Vijf jaar lang heeft hij het gepresteerd om elke zondagmiddag heen en terug naar Ede te fietsen.

De heer A.W. de Boer, destijds eigenaar van restaurant “De Langenberg”, had op zijn terrein een paar barakken staan, waar in de zomermaanden groepen schoolkinderen hun vakantie doorbrachten. Hij bood ze de padvinders als voorlopig onderkomen aan, hetgeen dankbaar aanvaard werd. Geen wonder dat daardoor de Edese padvinderij de naam van “Langenberggroep” kreeg, en die tot op de dag van vandaag behouden heeft.
Op zondagmiddag 7 september kwam de groep van twaalf aanstaande verkenners voor het eerst bijeen, vandaar dat men deze dag als oprichtingsdatum heeft aangehouden.

Hard werd er door de jongens gewerkt om aan de eisen gesteld voor Verkenner derde klas te kunnen voldoen. Op 14 december slaagden ze allemaal en mochten zij hun uniformen dragen. Alleen met verkenners is een groep niet compleet: die dient te bestaan uit een horde Welpen (onder leiding van een akela), Verkenners (met hopman en vaandrig) en de stam, oudere jongers -Voortrekkers genaamd- met aan het hoofd een Oubaas.
Twee jaar later (1932) was de Langenberggroep compleet: een aantal welpen onder akela Stellingwerf Beintema, de verkenners met hopman Verstegen en reeds drie voortrekkers die, na latere uitbreiding, de heer Huyzer als oubaas kregen. Door deze drie afdelingen deed zich wel het gebrek aan onderkomens voelen, vooral bij slecht weer, als naar buiten trekken onmogelijk bleek. Opnieuw bracht de heer De Boer uitkomst. Zijn terrein liep van de Arnhemse Straaatweg (Arnhemseweg) tot aan de huidige Buurtmeesterweg. Daarvan kon de groep een stuk grond huren, groot genoeg om een eigen troephuis te bouwen, voor slechts vijtien gulden per jaar. Een mooi aanbod, maar waar moest het benodigde geld vandaan komen? Evenmin als welke vereniging dan ook uit die jaren kon de padvinderij op geen enkele steun van overheidswg rekenen. In feite betaalden de padvinders geen contributie, maar deden hun ouders dat. Uit hun midden werd een bestuur gekozen dat de zaken behartigde. Er werden actie’s op touw gezet om.de bouw te kunnen verwezenlijken. Dank zij een aantal giften, een loterij en een geldlening van duizend gulden onderverdeeld in tweehonderd obligaties à vijf gulden lukte dat. Een groot deel van de bouw werd door de jongens zelf verricht, maar bepaalde onderdelen moesten toch door vakmensen worden uitgevoerd.

In 1934 kon het gloednieuwe troephuis plechtig aan de groep worden overgedragen. Het bevatte twee lokalen van zeven bij zeven meter die door een uitneembare wand in één grote ruimte veranderd konden worden. Welpen en verkenners waren dus onder dak, terwijl de voortrekkers voortrekkers, na wat omzwervingen, van graaf Bentinck toestemmin gkregen om in een stuk bos nabij de Traa een eigen blokhut te bouwen. Dat deden zij vol overgave: het werd een hecht gebouw, samengesteld uit zware dennenstammen, een ware vesting. Dank zij oubaas Huyzer, die electriciën van beroep was, werd het onderkomen middels een aggregaat zelfs van electrisch licht voorzien, terwijl een oude salamanderkachel voor warmte en (nog meer) rook zorgde.

Padvinder worden hield meer in dan lid te zijn van een ontspanningsvereniging. Bij zijn installatie tot verkenner moest de jongen een belofte afleggen die, althans in de dertiger jaren, luidde: ‘Op mijn eer beloof ik ernstig te zullen trachten mijn plicht te doen tegenover God en mijn land, iedereen te helpen waar ik kan en de padvinderswet te gehoorzamen’. Om deze doelstelling te verwezenlijken werd, naast ontspanning, ook hot accent gelegd op technische vaardigheid. E.H.B.O.-lessen, reddingsoefeningen, handig met touw kunnen omgaan, seinen en improviseren – om een paar onderdelen te noemen- werden trouw beoefend.

Het spelelement was voor een groot deel geïnspireerd op gegevens van Baden Powell. Scout of padvinder wilde eigenlijk zeggen: voorop gaan, de weg aangeven. Vandaar dat verkennen, spoorzoeken of elkaar besluipen enthousiast beoefend werden. Hoogtepunt vormde het kamperen, soms een week-end, in vacantie’s van lagere duur. Ook werd de jongens liefde voor de natuur bijgebracht: geen vernielingen of vandalisme in de bossen, maar kennis van al wat er leeft en groeit. Tijdens een kamp werd eten koken altijd op een houtvuur gedaan: primussen of andere toestellen waren uil den boze. Een goede verkenner kon, met behulp van hoogstens twee lucifers en wat dennen of berkenprik, vuur maken en daarop een maaltijd bereiden. Een kamp versterkte de onderlinge banden enorm. De laatste avond werd een kampvuur ontstoken en in de vallende duisternis zat de groep rond de hoog oplaaiende vlammen. Er werden kampliederen gezongen en de jongens luisterden naar een verhaal van hun leider. Avonden om nooit te vergeten.

Dat ook het kamperen geleerd moet worden bewijst de ervaring van de toen nog jeugdige Gerrit Kruijsdijk. Het was zijn eerste kamp, dicht bij huis, aan de Renkumse beek. Nadat de tenten waren opgezet werden de taken verdeeld: een paar moesten de stookplaats maken, anderen hout sprokkelen, terwijl Gerrit opdracht kreeg een grote gietijzeren pan, waarin havermout gekookt zou worden, vast met groene zeep in te smeren. De jongen begreep er niet veel van maar, daar een goed padvinder altijd gehoorzaamt, hij begon ijverig bodem en zijkanten met het glibberige spul te bewerken. Op een gegeven moment kreeg de hopman haast en greep – zonder op het resultaat te letten- de pan, gooide een paar pakken havermout met de nodige melk er in en hing de pan boven het reeds ontstoken vuur. Helaas, toen de hongerige troep wat later met volgeschepte borden zat, bleek de pap niet te eten, de zeepbellen kwamen van de lippen. Pas toen kwam de aap uit de mouw: om de pan gemakkelijker te kunnen reinigen had niet de binnenkant, maar de buitenkant met groene zeep ingesmeerd moeten worden.

Een ander avontuur maakten de voortrekkers mee tijdens een kamp nabij de Loosdrechtse plassen. Natuurlijk moest een viertal van hen, de zwemkunst amper machtig, met een roeiboot het water op. Nu kan men van een Edese jongen uit die tijd, gewend aan hei en zand, geen grote prestaties op het gebied van watersport verwachten en prompt sloeg, na een kwartier , de boot om. Gelukkig was een aantal zeeverkenners uit Schiedam in nabijheid. Zij wisten van wanten en boden onmiddelijk de helpende hand, zodat het voor de Edenaren bij een nat pak bleef.

De kroon op het werk van de NPV kwam in 1937. In genoemd jaar mocht Nederland het grote internationale verkennersfeest, bekend onder de naam “Jamboree”, organiseren. Ouder lezers zullen zich ongetwijfeld de beginregels van het alom gezongen propagandalied herinneren: “In negentien drie zeven, dan zul je wat beleven, dan komt de Jamboree in Nederland”. Het feest, gehouden van 31 juli t/m 9 augustus 1937 te Vogelenzang, werd een enorm succes. Ruim 27000 padvinders uit vijfendertig verschillende landen waren hier present. Heel Nederland, met vorstenhuis en regering voorop, leefde mee, en de verschillende demonstraties trokken tienduizenden toeschouwers. Ook de Langenberggroep was aanwezig, en de Edese jongens keerden opgetogen over zo veel internationaal contact weer terug.

Helaas stond de Langenberggroep daarna voor nieuwe problemen. De grond van de heer de Boer was in andere handen over gegaan, en de huur werd per 1 september 1938 opgezegd. Het zou te ver voeren alle moeilijkheden die nu volgden te memoreren. Volstaan we met te vermelden dat men er in slaagde in de naaste omgeving een stuk grond te kopen, zodat het bestaande troephuis alleen verplaatst hoefde te worden.

Behalve deze zorgen ontstond er gebrek aan leiding, en deden de crisisjaren opgeld. Het ledental daalde sterk. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op 10 mei 1940 bestond de troep uit slecht vier welpen, dertien verkenners en negen voortrekkers. Een klein jaar later -2 april 1941- viel, althans voor vier jaar, het doek: de bezetters verklarden de hele Nederlandse padvinderij, zijnde van Engelse oorsprong, voor ontbonden.

Gelukkig had men één en ander tijdig zien aankomen, en konden veel bezittingen en de administratie bij leden worden ondergebracht.

Over de Langenberggroep, die na de Bevrijding weer op poten werd gezet, gaat de tweede aflevering van dit verhaal.